woensdag 16 september 2009

Intermezzo

Waarde fan,

Wegens niet-marginaliteitgerelateerde verplichtingen moet u even wachten op een volgende volwaardige post. In afwachting daarvan krijgt u deze cultureel hoogstaande link.


Uw held,

Filip

dinsdag 8 september 2009

Gestrand

Tijdens mijn laatste zoektocht naar zingeving strandde ik in de toiletten van het Brusselse Noord-Station. Zoals verwacht vond ik er meer vragen dan antwoorden en een fikse scheur toiletpapier waarmee ik het denkzweet op mijn voorhoofd depte. Verpozend bekeek ik het oogporrende interieur met zijn knalgele deuren en witgroen schaakbordmotief. Het had wel iets knus, vond ik, het leek me zelfs een prachtige plaats om te wonen en gezien mijn laatste verblijfplaats een dag eerder was opgehaald door de groendienst, waagde ik mijn kans.
‘ Hoeveel moet dat hier kosten?’, vroeg ik aan de beheerder en hij antwoordde: ‘ Veertig cent.’
Ik doorzocht meteen mijn zakken en vroeg of hij ook compost aanvaardde. Dat vond hij wel ok. Ik wreef een kleine, naar waarde geschatte klodder in zijn grijpgrage handjes en ging op de vloer zitten.
‘ Wat doet u nu?’, vroeg hij verbaasd, ‘ Bezoekers mogen niet op de grond zitten!’
‘ Bezoeker?’, schrok ik, ‘ Ik heb deze keet zonet opgekocht voor de restanten van een appel en een ei!’
Het mannetje zijn verbaasde ogen puilden uit zijn fotokaderdikke bril.
‘ Dat was niet de afspraak,’ stamelde hij, ‘ Voor mij bent en blijft u een bezoeker. Te weten…’
Hij haalde een stoffig, bruin boekje uit zijn zak, bladerde er doorheen en las: ‘ …elk menselijk persoon die veertig cent betaalt om in dit etablissement handelingen van urinatie, al dan niet stiekeme flatulentie, lozing van in meerdere of mindere mate verwerkt voedsel, verfrissing middels water of al dan niet synchrone combinaties van voorgaand genoemde handelingen te verrichten.’
‘ Er staat niks over zweet deppen,’ grijnsde ik, ‘ En gezien ik vooraf heb betaald, blijf ik hier tot ik waar krijg voor mijn geld, in extremis het moment dat ik mezelf bevuilend de pijp uit ga.’
Het mannetje likte aan zijn grijzende snorpuntjes en bladerde nerveus door het boekje. Zijn klamme handjes bleven bijna aan de pagina’s plakken. Onderwijl tuurde hij over het bladendek naar drie bussen Hollanders die fluitend het toilet uitliepen, zonder te betalen en met een snoepje uit het schaaltje. De toiletheer stortte in, bracht nog wat lucht uit en kroop moegestreden achter zijn tafeltje om op een wending te wachten.

Hem vakkundig negerend, richtte ik de living, keuken en badkamer in, terwijl de tijd oploste als babyslakken in een zoutberg. Toen ik net mijn plasma-tv wou installeren, kwam de toiletheer op mijn schouder tikken.
‘ We gaan bijna sluiten,’ zei hij.
‘ Eindelijk!,’ antwoordde ik, ‘ Ik kan wel wat tijd voor mezelf gebruiken.’
‘ U begrijpt me verkeerd. U moet vertrekken.’
‘ Mij best,’ zei ik, ‘ Dan ga ik in hongerstaking.’
‘ Maar hier is niks te eten,’ protesteerde het mannetje, ‘ Behalve de snoepjes op mijn schaaltje, al zijn dat eigenlijk gesuikerde bolletjes glas.’
Hoewel de gedachte aan opengereten smaakpapillen niet bepaald prikkelend was, droop het kwijl me uit de mond. De krachtige donder in mijn maag deed het tafeltje daveren en de glasbolletjes rinkelen. Mijn oren richtten zich smachtend op.
‘ Je schijnt honger te hebben,’ zei het mannetje, zichzelf heel opmerkzaam vindend.
Hij liep naar het tafeltje, stak plagerig een bolletje in zijn mond en omknelde grimlachend zijn bloed sproeiende strot.
‘ Mmmm… Wekkegh!’, sputterde hij driftig knarsend.
Het geluid zoog me naar het tafeltje. De geur greep mijn hand en gidste een bolletje naar mijn mond. Ik zoog erop en proefde iets bekends… Laxeermiddel! Ik spuwde het bolletje op de grond, waar het in duizend scherfjes uit elkaar spatte. Woedend probeerde ik de toiletheer te wurgen, maar eigenlijk dichtte ik het gulpende gat in zijn keel.
‘ Dank je wel,’ lipte hij, terwijl hij genoeglijk zijn vingers even kraakte, ‘ Ik neem wel weer over.’
Hij duwde mijn handen weg, drukte weer dicht en liep naar de telefoon: ‘ Assistentie in de Afdeling voor Primaire Noden gevraagd. Problemen code rood.’

Twee boomlange beveiligingsagenten stormden naar binnen. Ik vluchtte een toilet in, klapte de bril open en ging in de pot staan. Er werd hevig op de deur gebonsd. Een stem schreeuwde dat ik naar buiten moest komen.
‘ Nooit!’, riep ik stoer terug, ‘ Jarenlang heb ik gezocht naar een plaats als deze, eindelijk voelt het alsof ik ben thuis gekomen en nu…’
De woorden stokten in mijn keel. Een traan verdampte in mijn hoofd. Het bonzen hield aan en toen het kraken scheuren dreigde te worden, drukte ik op de sjas.
‘ Hij probeert zichzelf door te spoelen!’, schreeuwde de toiletheer, waarop de agenten met vijf cent het slot stuksloegen en naar binnen stormden. Ze zagen nog net hoe mijn hoofd door de afvoer verdween en vraten hun petjes op.
De stroom voerde me doorheen de riolen van de stad, wat een – toegegeven – allerminst appetijtelijke ervaring was. Het weinige verzet dat ik probeerde te plegen werd moeiteloos overspoeld door de meedogenloze golven tot ik uiteindelijk het bewustzijn verloor.

Onbepaalde tijd later werd ik gewekt door snerpend gesnater. Ik was omringd door een legioen pinguïns die me nieuwsgierig aanstaarden. Bij sommigen vielen de ogen daadwerkelijk uit hun kassen. Een van hen reikte me een vleugel, maar toen ik me er aan probeerde op te trekken, scheurde hij af. Ik plofte terug op het bijtend koude ijs en hoopte dat deze nachtmerrie het gevolg was van een openstaand slaapkamerraam. Maar wat ik zag was echt: een kolonie melaatse pinguïns, zo besloot ik definitief toen ik er eentje wanhopig zag dralen met een bordje voor ‘Free Hugs’.
Ik trok me weer op aan een brekende snavel en kwam overeind. De leider van de groep maakte zich groot en richtte zich tot de kudde: ‘ Hij is nu een van ons. Hij zal ons vervoegen tijdens onze barre tocht. Hij zal veelvuldig paren en nieuw leven bewaken tot hij sterft. Daarna zal hij vergeten worden.’
Dat was wat ik althans meende op te maken uit het getater.
Hierna nam de leider het voortouw en gidste zijn kudde. Ik volgde hen, mezelf niet afvragend waarheen, hoe lang of waarom. Als ik geen thuis had, was ik toch al onderweg. En zolang ik niet uit elkaar viel, al meer dan tevreden.

dinsdag 1 september 2009

Bond zonder hoop wint terrein

De Bond zonder hoop, de verbale stormtroep die andere, al te belerende Bonden tracht omver te werpen lijkt zijn doel te bereiken. Dit stond vandaag in de krant:

http://www.nieuwsblad.be/Article/Detail.aspx?ArticleID=GRI2ED06O


Hoe kunnen we dit nieuws beter vieren dan met een kersverse spreuk:

Wie de kat uit de boom kijkt,
is iets aan het doen.


Gezegend zij al onze fans: de bond is dood, leve de bond!

woensdag 26 augustus 2009

Wijs

Een man meende ooit wijs te klinken
door te zeggen dat hij niks wist.

Dat leek imposant
tot hij stikte

in een bord schoenveters
(gedrenkt in tomatensaus
die eigenlijk rode verf bleek te zijn
van het zeer giftige soort)

Gelukkig had hij enkel het bord gegeten.
Maar dat maakte hem niet minder dood.

En ook niet legendarischer.

Zijn naam was Pros.
Hij teelde one-liners
en stierf.

Jan Langeman

Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Om deze investering te laten renderen zal zijn werk geregeld gepubliceerd worden op de site.

dinsdag 11 augustus 2009

Bond zonder Hoop

Gebruik niet uw sterktes,
verberg uw zwaktes.


'Bond zonder Hoop' is een vereniging zonder winstoogmerk die een volwaardig alternatief wil bieden voor een andere Bond die wij niet bij naam wensen te noemen.

zaterdag 8 augustus 2009

Miauw

Het groezelig heffen
van ‘t hoofd vol gist.
Wat is er gebeurd,
wat heb ik gemist?

Wazige kiekjes,
donkerblauwe reis,
handen en voeten,
zoekend naar ijs.

Spoor in de sneeuw,
smeltend vocht,
gemalen geschreeuw,
IQ uit de bocht...

De vrije vogel
plakt aan het raam,
bij de wazige blik
op de vrouw zonder naam.


Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Om deze investering te laten renderen zal zijn werk geregeld gepubliceerd worden op de site.

maandag 3 augustus 2009

Planman

De stalen poort van het kuikentjesverwerkingsbedrijf knarste achter me dicht. Verweesd staarde ik naar het luchtdek dat nog grijzer was dan de betonnen muren waar ik de voorbije tien uur op had gekeken. Mijn raamloze verlangen smolt als sneeuw voor de zon en druppelde in dikke slierten over mijn hoofd. Zeiknat slofte ik naar mijn wagen die aan de andere kant van de ellenlange parking stond. Onderweg droomde ik van een broeierig eiland, al kon ik ook genoegen nemen met een paraplu. Of met een startende auto. Ik verwenste het krot dat me onlangs was aangesmeerd door een ranke man met iets te veel gel in zijn haar.
Na veel brommen en wroeten kreeg ik het ding aan de praat en reed ik naar mijn huis, mijn hoogstpersoonlijke hol van Pluto, waar ik via het pizzadozenpad naar sofaland reisde. Ik plofte mijn verstand op nul en draaide mijn blik op oneindig, dwars door MTV. Ik was alleen. Eindelijk. Geen machtsgeile ploegbaas. Geen loze collega’s. Geen krijsende kuikentjes. Alleen ik. En mijn gsm!
Het ding danste rond in mijn handen en meetrillend nam ik op. Uit de ruisende stilte doemde een onbekende stem op.
‘ Heb je al plannen voor vanavond?’, vroeg ze mat.
‘ Nee,’ antwoordde ik.
‘ Het is maar een woord,’ zei de stem, ‘ Ik kom er aan!’
‘ Wie ben je?’, wou ik schreeuwen, maar de verbinding was verbroken. Het aanhoudende gezeur dat sterk op stervende kuikentjes leek kolkte als een verdovende mantra in mijn oorschelp. Het duurde even voor ik besefte dat ik niet op mijn werk, maar thuis was, wachtend op een ongenode gast.

Even later stortte iemand naar binnen door het dakraam. Het was een naakte man, die zich van kop tot teen had ingesmeerd met bloed, al kon hij ook gewond zijn door de val. Kermend krabbelde hij overeind, terwijl hij het glas uit zijn wonden borstelde. Hij kuchte ernstig, boog licht door zijn knieën, spreidde zijn gebrek aan vleugels en sprak: ‘ Ik ben de duistere kracht van de nacht, de stille worm die zich ontpopt tot het oog van de storm, ik heb bijna een gordel eerste dan… Ik ben Planman!’
‘ Fantastisch,’ zuchtte ik.
‘ Plantastisch zal je bedoelen!’
Ik deed alsof ik niks gehoord had en vroeg hem of hij thee wou.
‘ Een uitstekend plan!’, riep hij opgewonden en rolde een wereldkaart voor me uit, ‘ Zoals je ziet bevinden we ons hier… In de Benelux! Thee wordt gemaakt in China, dat is hier. Ik stel voor dat we deze kapstok nemen, naar de nachtwinkel gaan, alhier, waar we de uitbater verminken met ons werktuig. Dat mag hevig, er mag zelfs wat uitpuilen, zolang we hem niet doodmaken voor hij dit document ondertekent waarop staat dat we de rechtmatige eigenaars worden van alle conservenblikken in zijn winkel, zodat we wettelijk zijn ingedekt. Van dat conserven bouwen we een vlot, dat we met een eigenhandig gecarjackte verhuisfirma naar de Antwerpse haven rijden. Daar vinden we zeker een slachtoffer dat onnozel genoeg is om zijn boot te ruilen voor ons vlot. Vinden we die niet, dan slaan we gewoon iemand dood en pikken we zijn boot. Bon, we varen naar China en sporen een theeveld op. Dat branden we plat, zodat alle arbeiders wegvluchten en de kust veilig is. Uiteraard zit het venijn in de staart: twee zakjes vullen voor de hele zooi is opgefikt. Het zijn er toch twee, he? Of ga je iets anders drinken?’
‘ Ik denk het wel,’ stamelde ik voorzichtig, ‘ Ik denk trouwens niet dat thee op velden groeit.’
‘ Het zou inderdaad kunnen dat mijn plan een hiaatje vertoont,’ mijmerde planman, ‘ Ik denk er nog eens over na. Kan ik in tussentijd een watertje krijgen?’
‘ Hoe bedoel je?’
‘ Gewoon, water… Of ken je dat niet? Semi-doorzichtige, schijnbaar smaakloze vloeistof uit een kraan, een fles of in het slechtste geval een blik. En als je gelijk ook het dakraam kan dichten. Ik heb het koud.’
‘ Kan ik weinig aan doen,’ zei ik, ‘ Moet je maar kleren aandoen.’
‘ Dit zijn mijn kleren,’ bromde Planman, ‘ Al is het eerder een soort voorontwerp, in afwachting van de definitieve uitvoering. Mijn kostuum is nog in de maak, ziet u. Het zit in de eerste fase, zijnde de kernachtige visualisering van het totaalconcept.’
Ik liet hem nog even doorpraten en goot hem wat water uit. Toen zijn monoloog dreigde dood te bloeden, vroeg ik hem wat hij zoal deed, waarop hij vertelde over zijn plannen. Het merendeel vergat ik ter plaatse, buiten een boek met vliegtips voor pinguïns schrijven en de stilstand van het donker breken.
‘ En wat doe je als je geen plannen maakt?’, probeerde ik het gesprek te sturen.
‘ Gewoon, nadenken over de plannen die ik zou kunnen maken,’ zei hij geïrriteerd en hij schraapte zijn keel: ‘ Waarvoor ik eigenlijk kwam… Je plannen voor vanavond.’
‘ Die heb ik niet,’ zei ik, ‘ En die hoef ik ook niet, eerlijk gezegd. Ik heb een hele dag pootjes geknipt ten bate van de lijmindustrie en zijn afnemers. Ik wil gewoon genieten van mijn geld, mijn breedbeeld en mijn vreten.’

Planman geeuwde ostentatief: ‘ Dat is zo saai! Heb je echt geen behoefte aan meerwaarde?’
‘ Maak je geen zorgen,’ zei ik, ‘ Ik heb Canvas en De Morgen. En mezelf!’
‘ Je weet wat ik bedoel,’ zeurde Planman, ‘ Spanning, sensatie, avontuur. Het leven is als een paardenkar, als je de teugels niet in handen neemt, rijdt ze met je weg.’
‘ Dat interesseert me niet,’ zei ik, ‘ Ik laat het leven gewoon op me afkomen. Ik zoek niet, ik vind.’
‘ Zoals je ook je job hebt gevonden?’
‘ Ja.’
‘ Hopeloos,’ blies Planman verbolgen en hij zou de kamer uitgerend zijn, ware het niet dat hij tegen de deur strandde, die hij in zijn walging had vergeten opendoen. De iets te scherpe klink doorboorde zijn vlees en enkele laatste nietszeggendheden reutelend zeeg hij in elkaar. Ik bleef nog even naar zijn dode lichaam kijken en besloot om het te laten liggen. Het zou wel verteerd worden. Zuchtend plofte ik me neer in de zetel en tuurde naar een grote glasscherf die dreigend aan het plafond bengelde. Ik stelde me voor hoe ze naar beneden viel en mijn hoofd in tweeën spleet. Afwachtend dacht ik aan de woorden van Planman. Hij mocht dan wel een matig intelligente controlefreak zijn, wat hij zei bevatte wel degelijk een grond van waarheid. Daarom besloot ik een plan te bedenken én uit te voeren: de bestelling van een pizza. Met ansjovis en dat net ietsje meer ajuin.

De leverancier die hem bracht werd mijn vrouw die drie kinderen voor me baarde en met wie ik tijdens een zoveelste discussie over de middelste (een albino) tegen de fatale beerkar zou knallen.