zaterdag 7 november 2009

Indiaal

De cowboy wandelde door het doodse dorp. De huizen leken verschrompeld en de klapdeuren hingen halfstok. Dit was de laatste halte. De laatste klus. Hier zat de laatste Indiaan op aarde verscholen, de laatste homp voor de vleesberg die de cowboy reeds bij elkaar had geschoten. Hij liet zijn blik door de straten dwalen, elke wegwaaiende zandkorrel verifiërend. Hij was op zoek naar leven om te doden. Daar hoefde hij verder niet over na te denken, daar werd hij simpelweg voor betaald door de firma.


Hij liep de lange laan door, toen hij plots een stuk pluimvee zag waar een mens aan was vastgehecht. Het leek verdacht veel op een Indiaan, al had het eerder iets van een halfblote, bruine piraat met een kip op zijn hoofd. Hoewel dit niet tot zijn doelgroep behoorde, richtte de cowboy zijn wapen.

‘ Je geld of je leven!’, schreeuwde hij. Dat lijkt misschien een beetje vreemd, maar het contract voor de huurmoord vermeldde niks rond het vrijblijvend overvallen van nietsvermoedende piraten, dus kon hij dat evengoed doen. Helaas reageerde de pindiaat (zoals we hem voorlopig zullen noemen) niet, in de zin dat hij rechtopstaand dood leek te zijn. In dat geval was het vrij onnozel om hem de keuze voor te leggen, dus besloot de cowboy het anders aan te pakken.

‘ Lekker weertje,’ zei hij langs de neus weg lijkend, ‘ Zin om een terrasje te doen?’

De pindiaat bleef roerloos bij deze nonsens. Het regent stront en alle cafés zijn dicht, leek hij te denken, al konden het ook de wormen in zijn schedel zijn die tegen zijn oogbollen drukten. De cowboy bleef nog even wachten en tikte gelaten tegen zijn pet. (tot groot ongenoegen van velen had de firma een nieuw uniform ontworpen) Misschien moest hij die idioot gewoon neerknallen? Een mensenleven meer of minder, wat maakte het nog uit? De gedachte verstevigde zijn grip en gidste zijn vinger naar de trekker.


‘ Tok… Ik bedoel stop!’, schreeuwde de kip plots, ‘ Je begaat een stommiteit!’

‘ Inderdaad,’ zei de cowboy, ‘ Ik praat tegen een kip. Hoe kan dat?’

‘ Dat is een zeer lang verhaal,’ zei de kip, ‘ Maar gezien je toch een eenzame cowboy bent, vermoed ik dat je wel even tijd hebt.’

‘ Eigenlijk niet,’ antwoordde de man, ‘ Ik ben druk aan het uitvlooien of je aanhangsel een piraat of een Indiaan is en ik hem al dan niet moet omleggen.’

‘ Het is een Indiaan,’ zei de kip, ‘ En ik vraag me af waarom je hem dood wil.’

‘ Omdat de firma me daarvoor betaalt,’ sprak de cowboy, ‘ En omdat die kale gieren jullie uitroeien om je pluimen op hun stomme kop te zetten. En dat is slecht voor de elementen van de voedselketen, voor kippen in het bijzonder… Je hoort het goed, baasje, ik doe dit voor jou.’

‘ Je begrijpt het niet,’ zuchtte de kip, ‘ Als je hem vermoordt, vermoord je me ook. In de loop der jaren zijn we versmolten. De rest van de uitleg, waarin woorden als stigmatisering, contrasymbiose en steekhouding verwerkt zijn, zal ik gemakshalve achterwege laten.’


‘ Niemand lacht met mij,’ bromde de cowboy die een complex had over het feit dat hij zelfs te dom was om zijn eigen naam te onthouden. Hij zette twee stappen achteruit en deed het enige waar hij goed in was: schieten. Hard. Het lichaam lazerde met zwaaiende armen over een waterbak en versplinterde het hout van een verdorde hoerentent. De kip kakelde nog wat onbenulligheden, alvorens samen met het voorover tuimelende lichaam in de waterbak te duiken. Met geheven wapen kwam de cowboy dichterbij en keek naar het sputterende lijfje tot het laatste luchtbelletje was stuk gespat. Hij nam het stilleven in zich op en leek even tot rust te komen. Meer bepaald een vijftiental seconden.


‘ Wat nu?’, dacht de cowboy vervolgens en hij ging op een steen zitten, waar hij een sigaretje opstak. Hij probeerde te genieten van zijn beloning, maar werd geteisterd door tal van gedachten die hij geenszins kon vatten of ordenen, als het al gedachten waren. Zijn hele brein was maandenlang doordrenkt door dat ene doel, alsof er niks anders in zijn hoofd zat en nu alles voltooid was, restte enkel een zwart gat dat elke verdere gedachte verzwolg nog voor ze gevormd kon worden. Hij had geen bestaansreden meer. Ok, hij kon de firma bellen en het geld ophalen, maar dat was amper een troostprijs. Zijn opdracht was gaandeweg een ideaal geworden dat hem al die tijd had gedomineerd. En nu hij niks meer had om te bevechten, bleef hij alleen achter met zichzelf en dit besef.

Verdwaasd keek hij om zich heen en zag dat zelfs de zandkorrels niet meer bewogen.

‘ Alles is voorbij,’ mompelde hij, ‘ Nu kan ik drie dingen doen: iets nieuws opstarten uit het niets, het niets vervolledigen met mijn dood of een ijsje gaan eten.’


Zijn woorden waren amper koud of er kwam een ijskar aangesneld, opgefokt met helse bel.

‘ Groene haring! Bruine haring!’, schreeuwde de ijsventer die zijn tekst was vergeten. De cowboy sprong overeind, ging in het midden van de weg staan en werd platgereden. De venter sprong uit het voertuig en griste een grote ijsemmer waaruit hij de stervende cowboy voederde. Dit belette hem zijn laatste woorden te spreken, gezien zijn moeder hem had geleerd nooit met volle mond te praten. Pas toen de cowboy zijn laatste klodder had uitgekwijld, besefte de ijsventer wat hij had aangericht. Nooit zou hij weten of de cowboy een ijsje wou bestellen of onder de kar wou springen. Het was slechts een van de vele vragen die de arme man terroriseerden. Talloze slapeloze nachten later besloot hij het stadje op te kopen en er een pretpark te bouwen, bij wijze van eerbetoon. Het werd de hoeksteen van een heus imperium dat de ideologische ondergrond al gauw overwoekerde.


Dit verhaal is dan ook voor zij die de shirts en petjes dragen, de burgers en de ontbijtgranen vreten, opdat ze zouden weten dat al dit vlot verkopende niets ooit een reden leek te hebben.

maandag 2 november 2009

Bond zonder hoop

Het leven is als een balpen:

het heeft maar één punt,
aan het uiteinde.


'Bond zonder Hoop' is een vereniging zonder winstoogmerk die een volwaardig alternatief wil bieden voor een andere Bond die wij niet bij naam wensen te noemen.

zondag 25 oktober 2009

Een flard uit het leven van...

' Je moet geen gêne voelen,' zei het hoofd van de bomvolle tafel, nadat ik had geflaterd.
' De enige gêne die ik voel is Bervoets,' antwoordde ik blozend.

Dat snapten ze niet. Toch niet helemaal.



zondag 18 oktober 2009

De schrijver

De schrijver schrijft, een joint in de mond, een fles rode wijn gistend op de kast. In het holst van de nacht bedruipt hij zichzelf met de klamme romantiek van grote geesten gevangen in zolderkamers. De literaire projectie van dat bestaan is zijn hoogste streefdoel, maar het verzuipt in de verstopte rioolputjes van zijn fantasie. Hij probeert de sfeer van de krakende plaat te verklanken in klaterend proza, maar de holle woorden weerkaatsen niets. Wat hij produceert is onzichtbare levenskunst, zielloos plagiaat van wereldberoemde leeglopers. Hijzelf is niet wereldberoemd, hoeveel joints hij ook rookt, hoeveel wijn hij ook laat gisten. Hoe sfeervol het lampje op zijn rommelige bureau ook staat te branden, hij krijgt het niet verteld.Volledig uitvullen
Als hij de volgende ochtend ontwaakt gaat hij naar de werkwinkel. Zijn levensgids, Annemie, heeft een job voor hem gevonden: ‘ Verkoopster in een kledingszaak.’
‘ Heb je mij al eens goed bekeken,’ wil de schrijver zeggen, maar zijn vage gebaren verzuipen in zijn veel te grote jas.
Annemie begrijpt het niet. Of wil het niet begrijpen. Ze heeft geen boodschap aan zijn vermeende capaciteiten waarvan de economische rendabiliteit nog vermeender zijn. Dat vindt de schrijver soms romantisch, maar vandaag vindt hij het maar niks. Objectief bekeken is hij een werkloze pummel die nergens voor deugt. Gelukkig leeft hij in zijn eigen hoofd, een open vlakte begrensd door dicht beboste bomen, waarachter het constante, maar zelden krachtige gegrom van wolven en haaien weerklinkt. Af en toe toont er eentje zijn kop, doorgaans is het Annemie, maar soms ook zijn ex of een zoveelste uitgever die echt niet op hem zit te wachten, die het zelfs niet de moeite vindt om hem weg te rukken en op te vreten.
Nee, zittend aan dit gladde bureau in dit kille lokaal, vastgepind op dit wipneusje is de schrijver onbestaande.
Maar een verkoper is hij al evenmin. Het duurt dan ook lang voor hij die boodschap kan verpakken en Annemie hem eindelijk laat gaan.

Eens op zijn kamer komt de schrijver weer tot leven. Hij opent een fles wijn en zet ze op de kast. De joint vat vuur. Het licht gaat uit. Het lampje aan. Hij bekijkt de zesentwintig en zoveel mogelijkheden op zijn klavier, de bouwstenen van een blad vol inkt.
‘ Op welke van mijn talloze boodschappen zit de wereld te wachten? ’, denkt de schrijver, ‘ Of zal ik hen gewoon een goed verhaal voorschotelen?’
Iets verstoort zijn concentratie en komt de kamer binnen. Het is een groen, wrattig wezen met een penisachtige slurf waar rozige smurrie uitdruipt. Het heeft een driedelig maatpak aan, ook al heeft het geen armen of benen. Het is blubber, knorrend en druipend. Het is niet duidelijk of hij de schrijver wil ontvoeren, opeten of troosten. En nog minder of er andere mogelijkheden zijn. De schrijver denkt aan grote geesten die schreven onder invloed.
‘ Hoe deden ze dat toch?’, vraagt hij aan het wrattige wezen.
Het wezen probeert zijn schouders op te halen, maar het heeft er geen. Hetzelfde voor verstand, dus blijft het proberen tot het sterft van uitputting.
De blubber verteert sissend tot er enkel een gestold klompje overblijft. De schrijver schopt het onder de kast. Rommel genoeg op zijn kamer.

Dan gaat hij terug aan zijn bureau zitten en wekt de soezende nacht met een kermende sax.
‘ Tijd om te ontwaken,’ zegt de schrijver tegen het blanco en hij neemt een lang blaadje zinvol lijkend papier. Kort flitst een vonk in de duisternis, maar haar smeulende energie wordt al gauw weer uitgedoofd.

Vierentwintig uur zijn voorbij.

woensdag 7 oktober 2009

Foor

"Mevrouw met het staartje!

Trekt u nog een kaartje?!

We spelen voor dit pluchen beest!

Doe toch mee! Vandaag is 't feest!"


"Mama, wat een mooie beer!

Geef me die en ik wil meer!

Toon je hart met dit gebaar…

Of ik huil de kermis bij elkaar!"


"Jantje, trek niet aan mijn jas!

Er zit geen gat in mijn kabas!

We hebben al genoeg brol in huis!

en straks is 't 'Witse' op de buis!"


" Ach vrouw,

koop een kaartje voor die kleinen,

(ook al is 't waarschijnlijk niet de mijnen.)

Het geluk is hier te koop!

Zolang er geld is, is er hoop..."



Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Deze herpublicatie geschiedt ter gelegenheid van de Zeelse kermis (nog tot en met aanstaande zondag te bewonderen en bezoeken).


donderdag 1 oktober 2009

Bond zonder hoop

Echte vrienden
zijn onzichtbaar.


'Bond zonder Hoop' is een vereniging zonder winstoogmerk die een volwaardig alternatief wil bieden voor een andere Bond die wij niet bij naam wensen te noemen.

dinsdag 22 september 2009

Soseizen

Salami in de nacht.

Een zinsnee goed doordacht,

ontvouwt zich in al zijn pracht

tot 'salami in de nacht'.


Candle in de wind.

Ik drink mijn laatste pint

Spoel door

die salami in de nacht…

Het is mijn bed dat wacht.

(Maar wat ruikt die wind verdacht)


Ik knip het laatste uur.

Au revoir Basiel, dag Tuur.

Roste Maria, zie je mij nog graag?

Ik zou je willen kussen,

maar 'k heb last van mijn maag.


Ze geeft me een zoen en lacht:

" Dat is die salami in de nacht.

Die ligt hier al een week of acht."


Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Om deze investering te laten renderen zal zijn werk geregeld gepubliceerd worden op de site.