zondag 25 oktober 2009

Een flard uit het leven van...

' Je moet geen gêne voelen,' zei het hoofd van de bomvolle tafel, nadat ik had geflaterd.
' De enige gêne die ik voel is Bervoets,' antwoordde ik blozend.

Dat snapten ze niet. Toch niet helemaal.



zondag 18 oktober 2009

De schrijver

De schrijver schrijft, een joint in de mond, een fles rode wijn gistend op de kast. In het holst van de nacht bedruipt hij zichzelf met de klamme romantiek van grote geesten gevangen in zolderkamers. De literaire projectie van dat bestaan is zijn hoogste streefdoel, maar het verzuipt in de verstopte rioolputjes van zijn fantasie. Hij probeert de sfeer van de krakende plaat te verklanken in klaterend proza, maar de holle woorden weerkaatsen niets. Wat hij produceert is onzichtbare levenskunst, zielloos plagiaat van wereldberoemde leeglopers. Hijzelf is niet wereldberoemd, hoeveel joints hij ook rookt, hoeveel wijn hij ook laat gisten. Hoe sfeervol het lampje op zijn rommelige bureau ook staat te branden, hij krijgt het niet verteld.Volledig uitvullen
Als hij de volgende ochtend ontwaakt gaat hij naar de werkwinkel. Zijn levensgids, Annemie, heeft een job voor hem gevonden: ‘ Verkoopster in een kledingszaak.’
‘ Heb je mij al eens goed bekeken,’ wil de schrijver zeggen, maar zijn vage gebaren verzuipen in zijn veel te grote jas.
Annemie begrijpt het niet. Of wil het niet begrijpen. Ze heeft geen boodschap aan zijn vermeende capaciteiten waarvan de economische rendabiliteit nog vermeender zijn. Dat vindt de schrijver soms romantisch, maar vandaag vindt hij het maar niks. Objectief bekeken is hij een werkloze pummel die nergens voor deugt. Gelukkig leeft hij in zijn eigen hoofd, een open vlakte begrensd door dicht beboste bomen, waarachter het constante, maar zelden krachtige gegrom van wolven en haaien weerklinkt. Af en toe toont er eentje zijn kop, doorgaans is het Annemie, maar soms ook zijn ex of een zoveelste uitgever die echt niet op hem zit te wachten, die het zelfs niet de moeite vindt om hem weg te rukken en op te vreten.
Nee, zittend aan dit gladde bureau in dit kille lokaal, vastgepind op dit wipneusje is de schrijver onbestaande.
Maar een verkoper is hij al evenmin. Het duurt dan ook lang voor hij die boodschap kan verpakken en Annemie hem eindelijk laat gaan.

Eens op zijn kamer komt de schrijver weer tot leven. Hij opent een fles wijn en zet ze op de kast. De joint vat vuur. Het licht gaat uit. Het lampje aan. Hij bekijkt de zesentwintig en zoveel mogelijkheden op zijn klavier, de bouwstenen van een blad vol inkt.
‘ Op welke van mijn talloze boodschappen zit de wereld te wachten? ’, denkt de schrijver, ‘ Of zal ik hen gewoon een goed verhaal voorschotelen?’
Iets verstoort zijn concentratie en komt de kamer binnen. Het is een groen, wrattig wezen met een penisachtige slurf waar rozige smurrie uitdruipt. Het heeft een driedelig maatpak aan, ook al heeft het geen armen of benen. Het is blubber, knorrend en druipend. Het is niet duidelijk of hij de schrijver wil ontvoeren, opeten of troosten. En nog minder of er andere mogelijkheden zijn. De schrijver denkt aan grote geesten die schreven onder invloed.
‘ Hoe deden ze dat toch?’, vraagt hij aan het wrattige wezen.
Het wezen probeert zijn schouders op te halen, maar het heeft er geen. Hetzelfde voor verstand, dus blijft het proberen tot het sterft van uitputting.
De blubber verteert sissend tot er enkel een gestold klompje overblijft. De schrijver schopt het onder de kast. Rommel genoeg op zijn kamer.

Dan gaat hij terug aan zijn bureau zitten en wekt de soezende nacht met een kermende sax.
‘ Tijd om te ontwaken,’ zegt de schrijver tegen het blanco en hij neemt een lang blaadje zinvol lijkend papier. Kort flitst een vonk in de duisternis, maar haar smeulende energie wordt al gauw weer uitgedoofd.

Vierentwintig uur zijn voorbij.

woensdag 7 oktober 2009

Foor

"Mevrouw met het staartje!

Trekt u nog een kaartje?!

We spelen voor dit pluchen beest!

Doe toch mee! Vandaag is 't feest!"


"Mama, wat een mooie beer!

Geef me die en ik wil meer!

Toon je hart met dit gebaar…

Of ik huil de kermis bij elkaar!"


"Jantje, trek niet aan mijn jas!

Er zit geen gat in mijn kabas!

We hebben al genoeg brol in huis!

en straks is 't 'Witse' op de buis!"


" Ach vrouw,

koop een kaartje voor die kleinen,

(ook al is 't waarschijnlijk niet de mijnen.)

Het geluk is hier te koop!

Zolang er geld is, is er hoop..."



Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Deze herpublicatie geschiedt ter gelegenheid van de Zeelse kermis (nog tot en met aanstaande zondag te bewonderen en bezoeken).


donderdag 1 oktober 2009

Bond zonder hoop

Echte vrienden
zijn onzichtbaar.


'Bond zonder Hoop' is een vereniging zonder winstoogmerk die een volwaardig alternatief wil bieden voor een andere Bond die wij niet bij naam wensen te noemen.

dinsdag 22 september 2009

Soseizen

Salami in de nacht.

Een zinsnee goed doordacht,

ontvouwt zich in al zijn pracht

tot 'salami in de nacht'.


Candle in de wind.

Ik drink mijn laatste pint

Spoel door

die salami in de nacht…

Het is mijn bed dat wacht.

(Maar wat ruikt die wind verdacht)


Ik knip het laatste uur.

Au revoir Basiel, dag Tuur.

Roste Maria, zie je mij nog graag?

Ik zou je willen kussen,

maar 'k heb last van mijn maag.


Ze geeft me een zoen en lacht:

" Dat is die salami in de nacht.

Die ligt hier al een week of acht."


Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Om deze investering te laten renderen zal zijn werk geregeld gepubliceerd worden op de site.

woensdag 16 september 2009

Intermezzo

Waarde fan,

Wegens niet-marginaliteitgerelateerde verplichtingen moet u even wachten op een volgende volwaardige post. In afwachting daarvan krijgt u deze cultureel hoogstaande link.


Uw held,

Filip

dinsdag 8 september 2009

Gestrand

Tijdens mijn laatste zoektocht naar zingeving strandde ik in de toiletten van het Brusselse Noord-Station. Zoals verwacht vond ik er meer vragen dan antwoorden en een fikse scheur toiletpapier waarmee ik het denkzweet op mijn voorhoofd depte. Verpozend bekeek ik het oogporrende interieur met zijn knalgele deuren en witgroen schaakbordmotief. Het had wel iets knus, vond ik, het leek me zelfs een prachtige plaats om te wonen en gezien mijn laatste verblijfplaats een dag eerder was opgehaald door de groendienst, waagde ik mijn kans.
‘ Hoeveel moet dat hier kosten?’, vroeg ik aan de beheerder en hij antwoordde: ‘ Veertig cent.’
Ik doorzocht meteen mijn zakken en vroeg of hij ook compost aanvaardde. Dat vond hij wel ok. Ik wreef een kleine, naar waarde geschatte klodder in zijn grijpgrage handjes en ging op de vloer zitten.
‘ Wat doet u nu?’, vroeg hij verbaasd, ‘ Bezoekers mogen niet op de grond zitten!’
‘ Bezoeker?’, schrok ik, ‘ Ik heb deze keet zonet opgekocht voor de restanten van een appel en een ei!’
Het mannetje zijn verbaasde ogen puilden uit zijn fotokaderdikke bril.
‘ Dat was niet de afspraak,’ stamelde hij, ‘ Voor mij bent en blijft u een bezoeker. Te weten…’
Hij haalde een stoffig, bruin boekje uit zijn zak, bladerde er doorheen en las: ‘ …elk menselijk persoon die veertig cent betaalt om in dit etablissement handelingen van urinatie, al dan niet stiekeme flatulentie, lozing van in meerdere of mindere mate verwerkt voedsel, verfrissing middels water of al dan niet synchrone combinaties van voorgaand genoemde handelingen te verrichten.’
‘ Er staat niks over zweet deppen,’ grijnsde ik, ‘ En gezien ik vooraf heb betaald, blijf ik hier tot ik waar krijg voor mijn geld, in extremis het moment dat ik mezelf bevuilend de pijp uit ga.’
Het mannetje likte aan zijn grijzende snorpuntjes en bladerde nerveus door het boekje. Zijn klamme handjes bleven bijna aan de pagina’s plakken. Onderwijl tuurde hij over het bladendek naar drie bussen Hollanders die fluitend het toilet uitliepen, zonder te betalen en met een snoepje uit het schaaltje. De toiletheer stortte in, bracht nog wat lucht uit en kroop moegestreden achter zijn tafeltje om op een wending te wachten.

Hem vakkundig negerend, richtte ik de living, keuken en badkamer in, terwijl de tijd oploste als babyslakken in een zoutberg. Toen ik net mijn plasma-tv wou installeren, kwam de toiletheer op mijn schouder tikken.
‘ We gaan bijna sluiten,’ zei hij.
‘ Eindelijk!,’ antwoordde ik, ‘ Ik kan wel wat tijd voor mezelf gebruiken.’
‘ U begrijpt me verkeerd. U moet vertrekken.’
‘ Mij best,’ zei ik, ‘ Dan ga ik in hongerstaking.’
‘ Maar hier is niks te eten,’ protesteerde het mannetje, ‘ Behalve de snoepjes op mijn schaaltje, al zijn dat eigenlijk gesuikerde bolletjes glas.’
Hoewel de gedachte aan opengereten smaakpapillen niet bepaald prikkelend was, droop het kwijl me uit de mond. De krachtige donder in mijn maag deed het tafeltje daveren en de glasbolletjes rinkelen. Mijn oren richtten zich smachtend op.
‘ Je schijnt honger te hebben,’ zei het mannetje, zichzelf heel opmerkzaam vindend.
Hij liep naar het tafeltje, stak plagerig een bolletje in zijn mond en omknelde grimlachend zijn bloed sproeiende strot.
‘ Mmmm… Wekkegh!’, sputterde hij driftig knarsend.
Het geluid zoog me naar het tafeltje. De geur greep mijn hand en gidste een bolletje naar mijn mond. Ik zoog erop en proefde iets bekends… Laxeermiddel! Ik spuwde het bolletje op de grond, waar het in duizend scherfjes uit elkaar spatte. Woedend probeerde ik de toiletheer te wurgen, maar eigenlijk dichtte ik het gulpende gat in zijn keel.
‘ Dank je wel,’ lipte hij, terwijl hij genoeglijk zijn vingers even kraakte, ‘ Ik neem wel weer over.’
Hij duwde mijn handen weg, drukte weer dicht en liep naar de telefoon: ‘ Assistentie in de Afdeling voor Primaire Noden gevraagd. Problemen code rood.’

Twee boomlange beveiligingsagenten stormden naar binnen. Ik vluchtte een toilet in, klapte de bril open en ging in de pot staan. Er werd hevig op de deur gebonsd. Een stem schreeuwde dat ik naar buiten moest komen.
‘ Nooit!’, riep ik stoer terug, ‘ Jarenlang heb ik gezocht naar een plaats als deze, eindelijk voelt het alsof ik ben thuis gekomen en nu…’
De woorden stokten in mijn keel. Een traan verdampte in mijn hoofd. Het bonzen hield aan en toen het kraken scheuren dreigde te worden, drukte ik op de sjas.
‘ Hij probeert zichzelf door te spoelen!’, schreeuwde de toiletheer, waarop de agenten met vijf cent het slot stuksloegen en naar binnen stormden. Ze zagen nog net hoe mijn hoofd door de afvoer verdween en vraten hun petjes op.
De stroom voerde me doorheen de riolen van de stad, wat een – toegegeven – allerminst appetijtelijke ervaring was. Het weinige verzet dat ik probeerde te plegen werd moeiteloos overspoeld door de meedogenloze golven tot ik uiteindelijk het bewustzijn verloor.

Onbepaalde tijd later werd ik gewekt door snerpend gesnater. Ik was omringd door een legioen pinguïns die me nieuwsgierig aanstaarden. Bij sommigen vielen de ogen daadwerkelijk uit hun kassen. Een van hen reikte me een vleugel, maar toen ik me er aan probeerde op te trekken, scheurde hij af. Ik plofte terug op het bijtend koude ijs en hoopte dat deze nachtmerrie het gevolg was van een openstaand slaapkamerraam. Maar wat ik zag was echt: een kolonie melaatse pinguïns, zo besloot ik definitief toen ik er eentje wanhopig zag dralen met een bordje voor ‘Free Hugs’.
Ik trok me weer op aan een brekende snavel en kwam overeind. De leider van de groep maakte zich groot en richtte zich tot de kudde: ‘ Hij is nu een van ons. Hij zal ons vervoegen tijdens onze barre tocht. Hij zal veelvuldig paren en nieuw leven bewaken tot hij sterft. Daarna zal hij vergeten worden.’
Dat was wat ik althans meende op te maken uit het getater.
Hierna nam de leider het voortouw en gidste zijn kudde. Ik volgde hen, mezelf niet afvragend waarheen, hoe lang of waarom. Als ik geen thuis had, was ik toch al onderweg. En zolang ik niet uit elkaar viel, al meer dan tevreden.