maandag 22 april 2013

dinsdag 16 april 2013

Flard


Tapijt en ik zaten op een terrasje van de eerste zon te genieten. 
‘ Amai, het is koud,’ zei Tapijt.
‘ Valt toch mee voor deze tijd van het cenozoïcum,’ antwoordde ik.
Hij keek op zijn uurwerk: ‘ Het is al laat ook.’
‘ Valt toch mee voor deze tijd van de dag.’
‘ Ik denk dat ik eens moet gaan.’
‘ Hoezo?  We zijn hier nog maar pas.’
‘ Ja, maar ik moet gaan controleren of Sjakie nog leeft.  Of simpelweg leeft, daar ben ik nog niet uit.’
‘ Wie is dat nu weer?’
‘ Mijn slak.’
‘ Je wat?’
‘ Ik heb hem gisteren in mijn tuin gevonden, helemaal roerloos.  Dus heb ik hem naar mijn ziekenboeg gebracht om een diagnose te stellen.’
‘ En?’
‘ Eerst heb ik op hem ingepraat, maar hij zei niks terug, dus heb ik hem proberen wekken met een emmer water.  Hij bleef nog altijd even roerloos, op dat ene slijmpuntje na dat uit zijn schelp piepte.  Dat heb ik gepookt met een keukenmes.  Hij leek te reageren, al kan het ook dat het mee bewoog met het lemmet.  Nu, er was voldoende vrijgekomen voor de test met zoutkorrels.  Hij kromp een beetje, maar dat was het dan ook.’
‘ Mijn God.’
‘ Ik besloot naar de drastische middelen te grijpen en heb zijn huisje in brand gestoken, om te zien of hij niet naar buiten probeerde te vluchten, maar dat vuur heb ik moeten doven voor het dak instortte.’
‘ Maar jongen toch!’, stootte ik uit, ‘ Waarom gooi je hem niet gewoon terug?’
‘ Ben je gek?!’
Zo hysterisch als de xanax hem toeliet zwaaide hij naar de ober: ' De rekening alsjeblieft!  En vlug!'

donderdag 4 april 2013

Meningman


Eugène was middelmatig.  Hij bestond, bewoog en ook in het afronden van zijn bestaan zou hij zich niet noemenswaardig onderscheiden.  Dit betekende ook dat niemand last van hem had en hij dus evengoed niet kon bestaan.  In zijn stamcafé vroeg niemand zich ooit af waar hij zat en al helemaal niet luidop.  Hij had weinig toe te voegen, buiten wat briefjes en kleingeld in de lade van de barman.  De drank die hiermee bekostigd werd maakte Eugène niet meer of minder middelmatig, maar wel luider.  Dan veranderde hij in Meningman.
Bij deze persoonswissel hoorde een heuse transformatie.  Het hemd ging los uit zijn broek en de gezichtsspieren vormden een onherkenbaar masker dat soms versteende, dan weer vloeide als pudding waar iemand traag in roerde.  De rest van zijn lijf volgde die cadans.  Meningman mocht dan wel geen spectaculaire superheld zijn, hij onderscheidde zich in het rondspuien van middelmaat, met een gebrek aan kennis en nuance dat omgekeerd evenredig was met het eigen gelijk.  De ene keer moesten ze allemaal de kogel krijgen, de andere keer was het een schande dat ze bleven meppen op die jongen waarvan ze dachten dat hij een gevaar vormde.  Wisten ze dan niet dat hij ouders had?!  Ze moesten die flikken godverdomme zelf doodknuppelen!
Zo ging het een hele avond door tot de figuurlijke luchtbellen letterlijke proporties aannamen, in het slechtste geval voortgestuwd door een stootje maagzuur.  Maar ze hadden het dan toch weer eens gezegd, want de waarheid benoemen was een eerste stap naar de realisatie van een groter project, dat doorgaans tot deze stap beperkt bleef.  Er was triomf noch schade.  De gelijkgezinden hadden stoom kunnen aflaten en de volgende dag was men alle vergeten.

Het werd pas problematisch toen Eugène het internet ontdekte, een krachtig medium waarin hij de mogelijkheid zag om zijn meningen buiten de grenzen van het café te verspreiden.  Hij vervoegde een ondergrondse verzetsbeweging die strijd leverde onder de vlag ‘We zijn het beu’ en uit 527 leden and counting bestond.  Het beu zijn van ‘het’ vormde een bron waaraan men zich schier eindeloos kon laven.  Woorden schoten te kort om dit onveilige, corrupte, uitzichtloze en ook wel stomme land te beschrijven.  Als men bij het ondergaan van de zon de rolluiken niet sloot zou men zien hoe de wereld in een apocalyptisch oord vol plunderende bendes en klein geschapen exhibitionisten veranderde.  Onverlaten die beweerden dat het allemaal wel meeviel werden een aan de achterlijkheid grenzende naïviteit toegedicht.  Ze zagen het niet of wilden het niet zien.  Vorige week was Fons haast van zijn sokken gereden door een zot met een BMW.  Het hoefde allicht niet gezegd welk soort zot in dat type wagen reed, had Fons er subtiel aan toegevoegd, want in het beschrijven van bepaalde minderheden was men voorzichtig.  Men noemde hen ‘die mannen’ of ‘ je weet wel wie ik bedoel.’
‘ Wij zijn landgenoten, maar het zijn zij die van het land genieten,’ typte Eugène eens in een liederlijke bui.  Terwijl hij zijn vondst doorspoelde met een slok wijn, vroeg hij zich af of het effectief een vondst betrof, maar enkele ‘vind ik leuks’ van zijn lotgenoten trokken hem over de streep.  Vanaf dan werden ‘die mannen’ consequent aangeduid als ‘landgenieters’, wat Eugène stimuleerde om nog meer variaties op leeg gemolken meningen te posten, wat vaker dan verdiend op applaus werd onthaald.  Eindelijk werd hij aanvaard, wat hem stimuleerde om de fles af en toe in de kast te laten staan.  Op café ging hij al helemaal niet meer en hij werd er ook niet gemist, dus dat zat wel snor.  Hier kon hij luid zijn zonder zijn stem te verheffen, hij bereikte honderd keer meer mensen dan de vijf man en een paardenkop aan de toog en waar alles vroeger in walmen oploste, bleven zijn straffe stoten in de digitale lei gegrift.  Dit was Meningman 2.0., met een spervuur aan onverschrokken opinies dat opgezogen door het krachtveld van het verbond aanzwol tot een alles benoemende laserbeam.  

Het was tijdens een van deze werkelijk niks oplossende acties dat Meningman werd getroffen door het lot.  De opwinding die gepaard ging met het afvuren van meningen en het opbollen van het collectieve gelijk leidde tot een overbelasting van zijn interne circuit.  Zijn doodvermoeide ogen trachtten de waas nog te clearen, terwijl zijn tracker de error probeerde te detecteren.  Waren zijn energy levels low of ging hij gewoon dood?  Verzonken in de spiraal der meningen kreeg hij geen grip op de feiten.  De woorden op het scherm vervaagden tot wat ze werkelijk waren: nietszeggende vormen.  Dit noch eender ander besef drong tot hem door en plots kwakte Eugène voorover, met zijn kop op het klavier.  Het was een wel zeer middelmatige dood, zelfs voor een superheld als Meningman.

Hoewel er een zekere leegte uitging van zijn ongeschreven boodschappen, werd zijn verdwijning niet echt opgemerkt.  Maar alsof zijn dood dan toch een verschil maakte, werd ‘We zijn het beu’ niet veel later opgedoekt.  Bepaalde onverlaten probeerden de groep te misbruiken om linkse propaganda binnen te smokkelen en om tweedehands strijkijzers te verkopen, waarop de beheerder besloot dat hij echt wel wat beters te doen had, al wist hij zelf niet meteen wat.  De strijd woekerde echter verder middels talloze vertakkingen naar zusterbewegingen.  Een fractie van de geest die Eugène van andere dieven had gestolen leefde er in voort. 
Voor de rest bleef hij behoorlijk dood, wat al bij al geen slechte zaak was.
De klootzak.                

dinsdag 2 april 2013

Bond Zonder Hoop

Nee
is het nieuwe ja.


'Bond zonder Hoop' is een vereniging zonder winstoogmerk die een volwaardig alternatief wil bieden voor een andere Bond die wij niet bij naam wensen te noemen.

maandag 25 maart 2013

Zonde

De enige die
wakker ligt
van mij
ben 
ik.

Ik draag het leed
van alle mensen
die niet
weten
wat
ze
missen.


Canal Marginal bezit alle rechten op de complete Jan Langeman-catalogus. Om deze investering te laten renderen wordt zijn werk geregeld gepubliceerd op de site.

vrijdag 15 maart 2013

Dag van de slaap

Omdat het vorige bericht mogelijks een beetje regionaal was qua insteek plaatsen we bij deze een post met een extramondiaal karakter. Misschien een ideetje voor het Cultureel Centrum in ZELE.  Vermeend exclusief, presenteren wij u, naar aanleiding van de dag van de sla





zondag 10 maart 2013

Een eel centrum


Na veertig jaar is men gestart met de bouw van het Cultureel Centrum op de Zeelse Zandberg.  ‘  Eindelijk!’, zou men kunnen uitstoten, maar deze blog zou deze blog niet zijn, mocht er ook geen wijd geëtaleerde verzuchting opwellen.  Jean-Valjean-Jeanette-Jeanolski-Marie-Antoinne-Banksy (een artiestennaam voor Jan Janssens) voorspelt een lege doos, want zo orakelt hij: ‘ Een Cultureel Centrum zonder Cultuur is gewoon een eel centrum. Plus u, om helemaal correct te zijn.’ En hij kan het weten, want hij heeft twee jaar in de metropool Brussel gewoond (op kot, tijdens zijn eerste kandidatuur Vrije Kunsten) en hij is ook al eens in Parijs geweest.  Als we hem - in afwachting van het bijhorende cultuurcafé - ontmoeten op een bankje in het park, steekt hij meteen van wal.   


Jeanolski: We zijn alweder getuige van een sterk staaltje populisme!  Een pompeus, glazen kot bouwen waarbij men heel fotogeniek kan staan wezen in de regionale pers!  Maar heeft men al eens nagedacht over de inhoud!?  Bij deze wil ik mezelf dan ook aanbieden als programmadirecteur, zodat ik Zele mee op de kaart kan zetten en we niet weer in de eigen kleine vijver zitten te vissen.     

CM: Kent u het gezegde ‘wie het kleine niet eert is het grote niet weerd?’

Jeanolski: Kent u het gezegde ‘wie stopt voor overstekende eendjes staat stil.’ of zo mogelijk nog toepasselijker ‘ Wie het gat van de paus kust krijgt haar in zijn mond?’  Ik ook niet, maar zulke uitspraken zoals dewelkste u hier poneert zijn toonbeelden van een burgerlijkheid die zelfs naar kabouternormen zeer klein te noemen is.   

CM: Maar het Cultureel Centrum is toch bedoeld voor de Zelenaar?

Jeanolski: Ah, mijnheer is het type dat vindt dat zijn belastingsgeld naar Studio 100 moet gaan!  Ik denk dat cultuur niet voor het hele volk moet zijn!  Integendeel!  Het is en blijft een middel om de sturende elite te voederen met hogere gedachten die ze vervolgens kunnen vertalen via hun eigen onzichtbare mechanismen naar het gulzig zwelgende plebs.  Dàt, mijn beste, is het verschil tussen hoge en lage cultuur.       

CM: Kan u dan eens een voorbeeld geven van hoge cultuur die u zou programmeren?     

Jeanolski: Ik heb al een paar namen opgeschreven die zeer groot zijn in het alternatieve milieu.  Het Lam Prots bijvoorbeeld, een mimespeler die een enorme reputatie had tot hij verlamd raakte door tegen een glazen deur te lopen.  Sindsdien is er nog maar een spier die werkt, met welke hij kan communiceren.  Dit is natuurlijk een prachtige metafoor voor iets dat veel te veel tijd en moeite zou kosten om het effectief uit te leggen en pas ten volle doordringt als men hem live aan het werk kan zien.

CM: Euh, fascinerend…  Denkt u dat daar een publiek voor is?

Jeanolski: Men kan pas een publiek krijgen, als er een podium is.  Of de Zelenaar hier klaar voor is betwijfel ik ten zeerste, daarom wil ik in verschillende fases werken.  Eerst wil ik de burger cultureel opvoeden.  Roparun lijkt me hiervoor wel een geschikt moment.  ‘ Striphelden’ en ‘Het Wilde Westen’, wie bedenkt dat, zeg?!  Waarom geen thema als ‘De Vlaamse Primitieven’ of ‘Abstract Expressionisme’, waarbij iedereen zich in onduidelijke figuren verkleedt die alsmaar vager lijken te worden naarmate de avond vordert, maar die alsmaar aan betekenis lijken te winnen.  Een interactieve, procesmatige performance vertrekkende vanuit de schilderkundige traditie.  Dat zijn zoveel vliegen in een klap, dat onze handen aan elkaar zullen blijven plakken, wat in de letterlijke zin vrij nadelig zou zijn, gezien er nogal wat afgeapplaudisseerd wordt voor de lopers die het vluchtige, maar tegelijk ook bestendige karakter van de kunstgeschiedenis zullen verbeelden.  Als dat geen concept is, dan weet ik het ook niet meer.

CM: Wij ook niet.  Nog veel succes met uw project.  En met uzelf!